Premium

De ritmische taal van Jacob Groot in ’Toen ik alle dingen zag’

Zijn achtergrond als dichter is ook in het prozawerk van Jacob Groot (1947) duidelijk te herkennen. Zijn zinnen dansen van taalvernuft, zijn kijk op de wereld is aards en poëtisch tegelijk. Zo ook in zijn nieuwe roman ’Toen ik alle dingen zag’, het verslag van een fietstocht die de ik-persoon maakt vanaf de pont bij IJmuiden langs de kust omhoog naar Den Helder.

Geen verslag echter zoals een reisboekenschrijver zou vastleggen, geen details over toeristische bijzonderheden en slechts mondjesmaat over de natuur. Zijn betoog is een mengeling van feiten (’vanaf een zeegroene Raleigh-racefiets’) en herinneringen, doorvlochten met mijmeringen waartoe deze aanleiding geven.