Premium

Waarom ’zij’ wel weer mogen voetballen en ’wij’ niet: ’In Duitsland hebben mensen meer respect voor profvoetballers’

Waarom ’zij’ wel weer mogen voetballen en ’wij’ niet: ’In Duitsland hebben mensen meer respect voor profvoetballers’
Spelers van het Duitse Bayer Leverkusen zoeken de kleedkamers op. Het Duitse voetbal vormde een eenheid, die in een crisis een heldere koers voer.
© Foto AP

In heel Europa worden meer en meer voetbalcompetities hervat. Maar in Nederland moet de voetbalfan het tot 1 september zonder wedstrijden doen. Waarom ’zij’ wel mogen en ’wij’ niet.

Voetballiefhebber in verschillende landen kijken handenwrijvend uit naar het uitspelen van de competitie. Weliswaar zonder fans op de tribune, maar met veel televisiekijkers. De bal rolt volgende maand – als alles volgens plan verloopt – in onder meer Engeland, Tsjechië, Polen, Oostenrijk, Portugal, Turkije, Spanje, Kroatië en zelfs het door corona zwaar getroffen Italië. De Duitse Bundesliga ging al van start. Waarom dan in Nederland geen voetbal?

Geld? Het is een veelgenoemd argument om de competities in de grote voetballanden op te starten. Landen als Engeland en Duitsland ’moeten’ weer voetballen. De macht ligt bij de televisienetwerken, die miljardendeals sluiten om de uitzendrechten van deze competities te bemachtigen. En als er niet wordt gevoetbald, wordt er niet betaald. In Nederland ligt dat anders. Uitzendgerechtigde Fox Sports betaalt dit seizoen het volledige jaarbedrag uit aan alle Nederlandse clubs. Toch is het niet alléén geld dat buitenlandse competities drijft om weer te gaan voetballen; ook in landen waar minder televisiegelden omgaan dan in Nederland, wil men snel de wei in.

Ze hadden in al die landen kunnen fluiten naar de hervatting van de competitie als er geen goed plan op tafel lag. De gezondheid staat niet alleen in Nederland voorop. Wat dat betreft is vergelijken tussen landen gevaarlijk: elk land kampt met een andere regeringsaanpak, een andere demografie en een ander ziekteverloop. Desalniettemin springt een tweetal zaken als ’typisch Hollands’ in het oog.

Achtergesteld

Ten eerste de rol van het voetbal in de maatschappij. Rob Toussaint is de voorzitter van eredivisieclub Heracles Almelo. Hij zei het vorige maand nog heel voorzichtig: „We willen niet worden voorgetrokken op bijvoorbeeld de cultuursector, maar ook niet worden achtergesteld.” Toussaint gaf aan dat zijn club écht niet bestaat uit miljonairs met dure sportwagens. Dat de financiële nood hoog is in het betaald voetbal. Toussaint voelde de noodzaak zich midden in de coronacrisis te verweren tegen een bepaalde beeldvorming. De voorzitter merkte dat het imago van profvoetballers (’verwende miljonairs’) de sector nu parten speelt.

Rolmodellen

Profvoetballers in Duitsland worden bijvoorbeeld heel anders benaderd. „In Duitsland hebben mensen over het algemeen veel meer respect voor voetballers”, zegt Henk Veerman. Hij is de spits van het Hamburgse St. Pauli en stond vorig weekend weer ’gewoon’ op het veld. „Toen ik net bij Heerenveen kwam voetballen, zeiden ze tegen me: ’Je kunt beter niet meteen in een dikke Audi aankomen.’ Want dat staat niet zo goed. Terwijl in Duitsland zelfs de jeugdspelers in mooie auto’s rijden. Dat vindt ook niemand raar, dat hoort zo. Net zoals dat niemand het raar vond dat er in Duitsland weer werd nagedacht over het opstarten van de competitie.” Waarmee Veerman aangeeft: het voetbal speelt een andere rol in de maatschappij. Henk Veerman en zijn teamgenoten worden niet gezien als over het paard getilde jongetjes met te dure auto’s, maar rolmodellen met een belangrijke sociale functie.

Nederlanders met een hekel aan voetbal klommen daarentegen op de barricaden toen het coronavirus Nederland in een wurggreep nam. Iedere trainer of speler die ook maar iets durfde te roepen over de financiële of sportieve gevolgen voor zijn club, werd terechtgewezen. De Eindhovense burgemeester John Jorritsma was er als de kippen bij om aan te kondigen dat er in zijn stad niet meer gevoetbald zou worden, nog vóór de regering besloot om het profvoetbal tot 1 september te verbieden. Terwijl de minister-presidenten van de Duitse deelstaten aangaven dat voetbal alleen mogelijk is als de voetbalwereld met een goed plan komt. Tot dat plan er lag, hielden de politici hun mond. „De Bundesliga heeft ons als samenleving laten zien hoe het moet”, sprak minister-president Armin Laschet van de deelstaat Nordrhein-Westfalen zelfs bewonderend na de eerste wedstrijden van afgelopen weekend.

Eenheid

Daarmee wordt meteen een tweede verschil tussen Nederland en andere landen aangestipt: een goed plan en een goede lobby ontbraken. Het Duitse voetbal vormde een eenheid, die in een crisis een heldere koers voer: de gezondheid staat voorop, maar we gaan wel kijken hoe we onze bedrijfstak kunnen beschermen. Wat is er wél mogelijk? Wat is ervoor nodig om de politiek te overtuigen dat er tóch gevoetbald kan worden? Ja, de financiële druk om te spelen is groter dan in Nederland. Maar de wil ook.

Ajax ergerde zich publiekelijk aan de opstelling van de voetbalbonden UEFA en KNVB, die begin april nog zinspeelden op het hervatten van de competitie. De Amsterdammers kregen steun van PSV en AZ. Voor het kabinet was het dus geen beladen besluit om het betaald voetbal tot 1 september stil te leggen: de voetbalwereld zelf vond het ook wel best. Weinig landen volgden het voorbeeld van Nederland.

Gebakkelei

Inmiddels gaan de terrassen open, wordt er weer gesport, gaan kinderen terug naar school en start het profvoetbal in verschillende landen om ons heen. Ook in Nederland werd de laatste tijd weer over voetbal gepraat, zij het niet heel constructief: er was gebakkelei over het voor sommige clubs pijnlijke besluit om dit jaar geen ploegen te laten promoveren vanuit de eerste divisie. Maar ook ging het over de financiële gevolgen van de coronacrisis. Voetbalclubs lopen miljoenen mis. Ook in dit geval liet de voetbalwereld zien dat lobbyen een vak is. Een vak dat de buitenlandse bonden beter lijken te beheersen. KNVB-directeur Eric Gudde liet aan de overheid weten dat de bedrijfstak 400 miljoen euro schade zou lijden. VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff vroeg zich publiekelijk af of de KNVB ook nog voornemens was met een reddingsplan te komen: „Het was meer een mededeling: 400 miljoen schade. Punt.” Gudde haastte zich te zeggen dat hij de becijfering niet bedoelde als een schadeclaim, maar slechts als een indicatie van de schade.

Die verwarring speelde de voetbalhaters in de kaart. Dit was voor de voetbalsector hét moment om duidelijk te maken welke rol voetbal speelt in de maatschappij, zowel economisch als sociaal. En hoe de coronacrisis deze rol in gevaar brengt. Maar het publieke debat ging door de moeizame communicatie over de voetbalwereld die ’even’ 400 miljoen euro wilde vangen.

Salaris

Welbeschouwd is het niet vreemd dat andere landen wel voetballen en wij niet. Er is geen sterke voetballobby, het beeld van een sector in nood wordt slecht overgebracht. Terwijl er – zéker in Nederland – genoeg profs zijn die spelen voor minder dan een modaal salaris, bij een club die elk dubbeltje moet omkeren.

Is het erg dat we hier niet voetballen? Niet per se. Dit eredivisieseizoen was inderdaad wel een beetje ’dood’, zoals Ajax-directeur Marc Overmars zei. Henk Veerman moet ook toegeven dat het voetballen in Duitsland nu toch wat minder charmant is, met die lege tribunes en mondkapjes overal. Toch kan de voetbalwereld lering trekken uit de voorbije maanden. De lobby moet beter. In crisistijd, maar ook in een ’gezonde’ wereld. Wie de maatschappelijke waarde van het voetbal duidelijk kan overbrengen op het grote publiek, heeft ook minder last van gezeur over mooie auto’s.

Jeroen Haarsma

Net binnen