Terwijl ik mijn kast doorspitte, zag ik restanten van een tijd vol decadentie en een versnipperde identiteit | column

1 / 2
Nhung Dam

Tot mijn schrik las ik: dresscode gala. Het klonk als iets uit een ander tijdperk. Dresscode? Gala? Het afgelopen anderhalf jaar vormden mijn hakken op geen enkele manier onderdeel van mijn dagelijkse kloffie.

Gedurende tien dagen ben ik onderdeel van de vakjury van ’Film by the sea’ te Vlissingen, waar we literatuurverfilmingen beoordelen die meedingen naar de Film en Literatuur Award. Een festival vol bijbehorende evenementen, gala’s, openingsceremonies, prijsuitreikingen en rode lopers.

De vraag was of ik ze nog wel had, die stiletto’s of die jurk vol pailletten. Volgens opruimgoeroe Marie Kondo moesten we de kledingstukken die een jaar niet gedragen waren, vriendelijk wegdoen. In de stilgevallen wereld hulde ik me tijdens mijn Zoom-afspraken, voornamelijk in comfortabele huispakken, om ze in mijn vrije tijd te wisselen voor een wandeloutfit. Mijn extravagantste kledingstuk in deze tijd was een waterdichte windbreker. Kicken.

Als kledingstijl een manier was om onze identiteit te uiten, was ik gedurende de pandemie drastisch een ander persoon geworden. Een verwilderde outdoorvrouw, die flink opgewassen was tegen een regenbui. In mijn kledingkast zie ik outfits die mijn oude wereld representeerden. Kleine stukjes van mezelf die ik lang onberoerd had gelaten. Hemdjes voor dansfeesten, stiletto’s voor premières, cocktailjurkjes voor bruiloften, buideltasjes voor festivals, clutches voor boekpresentaties.

De kledingvoorschriften deden me denken aan een beeld uit Vietnam. Als kind zag ik eens een honderdtal schoolmeisjes de straat oversteken in hun schooluniform, bestaande uit een witte, zijden broek met daarboven een witte lange jurk met diepe split. Hun áo dài’s wapperden lichtjes op, als kleine golfjes, en staken scherp af tegen de streetfoodkraampjes en scooters. Een golf van eenheid door het landschap. De kleur vertegenwoordigde puurheid, leerde moeder mij.

Ik droeg als kind alleen maar kleding die op geen enkele manier opviel en geen aanleiding zou geven voor nog meer pesterijen. Ik wilde maar één ding: één zijn met de rest. Niet opvallen. Er niet uitgepikt worden. Zo liet mijn moeder voor mij ook een traditioneel Vietnamees schooluniform naaien. Die me hier overigens geen gevoel van eenheid bracht, maar stom gelach.

Gedurende de pandemie was comfort mijn enige eis. Terwijl ik mijn kast doorspitte, zag ik restanten van een tijd vol decadentie, keuzemogelijkheden, verspilling, en een versnipperde identiteit.

De organisatie gaf aan dat het, ondanks de inachtneming van de anderhalve meter, een zittende borrel, en beperkte zaalbezetting, het óók belangrijk was in deze tijden ons te blijven opdoffen. Met ingehouden buik hees ik me in een verstofte galajurk, en stapte ik in mijn hakjes.

Tijdens het gala weerkaatsten de kroonluchters in de oorringen van de vrouwen en pronkten de mannen met hun vers gestoomde pakken, die als een passend huis om hun lijf zaten. Er was een soort uitgelatenheid te bespeuren in de zaal. Zo zag ik deze avond dat opdoffen wel degelijk een functie had: aan de feestelijke versie van jezelf expressie geven, niet voor de ander, maar voor je eigen gemoed, al is de wereld er nog niet helemaal klaar voor.