Blij met diploma, tuurlijk. Toch is datgene wat je net niet leerde vaak cruciaal in het leven | column

Richard Kemper

Wie de afgelopen dagen door zijn tijdlijn op Instagram of Facebook scrolde, kon er niet omheen: duizenden ouders zijn trots. ’Retetrots, ontzettend trots, niet normaal trots’. Ik zag zelfs een ’Trots als een aap met zeven lullen’ voorbij komen wat op z’n minst een wonderlijke omschrijving is onder een foto van een zestienjarige dochter die een fles champagne staat leeg te klokken.

Nederland is geslaagd. Heel Nederland? Dat moet wel, want ik heb geen enkel filmpje voorbij zien komen waarin een zoon wordt gebeld door school en hoort dat hij gezakt is. „Herexamens dan? Ook niet. Oké…” En dan een foto van een vlag halfstok in de tuin met een bord erbij: ’Helaas, hij lijkt op z’n vader’. Nee, iedereen is geslaagd en alle ouders houden ’tot de maan en terug van hun bikkels, doorzetters en leuke, eigenwijze, mooie mensen’.

Ik ben de laatste die al dit oprechte oudergeluk wil relativeren. We zijn gewoon heel erg blij als ons broedsel weer een poortje is doorgelopen. Dat zijn er nogal wat trouwens. Van de ik-kan-plassen-op-het-potje-sticker tot het veter-, zwem- en verkeersdiploma, van alle avondvierdaagsevaantjes tot het eerste nattedroomcertificaat. O nee die niet, maar dat is een kwestie van tijd nu onze pubers meer schaamte hebben voor douchen zonder onderbroek dan voor seksen via Snapchat. Hoe dan ook, het lijkt soms alsof wij ouders bij elke genomen horde tot onze eigen verbazing denken: „Nou jaaaa, hij doet het!”

Verslaafd aan het vieren van al die poortjes hebben we ons hele leven er zelfs op ingericht. Examendiploma, rijbewijs, trouwboekje. Vooral dit laatste is nog steeds een enorm ding in een mensenleven. Dat je een contract afsluit waarin je afspreekt op welke voorwaarden je weer uit elkaar kan. Want ondanks alle eindeloze stronken gipskruid en ’You’ll never walk alone’ op zo’n dag, is een huwelijk afspreken hoe je uit elkaar gaat. We zeggen wel: „En ze leefden nog lang en gelukkig”, maar iedereen die getrouwd is weet: dan begint de ellende pas. Je moet zoeken, ingeven, uitdagen, volhouden en opnieuw proberen. En dan nog, in bijna 30.000 gevallen per jaar eindigt het sprookje in: „Wie krijgt het huis, wie krijgt het Netflix-account, wie krijgt de schuld?”

Eigenlijk geldt dit voor alles. We zetten met een diploma ergens een punt achter, maar dan begint het pas. Net als je denkt dat je kan rijden, komt die eikel van rechts. Net als je restaurant begint te lopen, slaat corona toe. Net als je dat gespierde lijf met dat lage vetpercentage bij elkaar hebt getraind, word je ziek.

Zit je dan met je diploma’s. We hadden het zo voor elkaar. Volgens die diploma’s dan. Want ze zijn een erkenning voor je harde werk, maar ze zetten ook een norm. Dat je voldoet. Dat je hetzelfde bent. Dat je erbij hoort. En zo kan het zomaar gebeuren dat volwassen kerels opeens allemaal broeken met hoog water dragen en kralenarmbandjes omdoen en niemand in de lach schiet omdat ze er uitzien als opblaaskleuters. Het is immers de norm.

Diploma’s zijn ook de norm. En toch maken mensen vaak pas het verschil als het aankomt op datgene wat je net niet leerde. Als je failliet wordt verklaard, als je ziek wordt, als je huwelijk wankelt. Dan is zo’n diploma opeens maar relatief. En blijken juist zij die altijd al een beetje buiten de norm kleurden opeens degenen met een ruggengraat, zij die een beetje tegenslag gewend waren. In al dat examengeluk zou je dat bijna vergeten.

Ik hoop dat ik komende dagen ergens op Facebook een foto tegenkom van een kind dat net z’n tranen heeft gedroogd met daaronder: „Hidde is wéér voor zijn examen gezakt, maar wat een leukerd! Dat noemen wij nog eens geslaagd!” #Trots

Instagram: @richardkemper